Het ontstaan van het Clarinet Choir

Werken voor groepen klarinetten en bassethoorns bestonden al voor de uitvinding van de basklarinet, geperfectioneerd door Sax in 1838. De trio’s en andere werken van Mozart, Druzecky, Stadler en Boufil, naast anderen, zijn erg bekend. De oudste klarinet kwartetten voor vier Bes-klarinetten betreffen drie of vier technisch erg moeilijke werken in een populaire stijl van James Waterson (1834-1893). Hij was orkestleider van de Viceroy van India en had goede connecties met Henry Lazarus en de “Military School of Music” in Kneller Hall. Zijn eerste kwartet stamt uit 1885. Waterson schreef ook drie trio’s en een serie duetten. Sommige zijn bewaard gebleven in het handschrift van James Parks, klarinetdocent in Kneller Hall.

 

De Franse klarinettist en saxofonist Louis Mayeur (1837-1894) en de Duitse klarinettist en componist Robert Stark
(1847-1922) schreven elk kwartetten voor twee Bes-klarinetten, bassethoorn en basklarinet. Stark schreef ook een goed trio voor twee Bes-klarinetten en bassethoorn en een aantal studies voor duo’s.

 

De kleine Es-klarinet verwierf haar plaats in het militaire orkest, speciaal in Duitsland, vanaf ongeveer 1805. De enige ontbrekende factor voor het ontstaan van het clarinet choir was de contrabas-klarinet. Het werd pas compleet toen in 1889 tijdens een tentoonstelling in Parijs het ontwerp van Fontaine-Besson’s “clarinette-pedale” gedemonstreerd werd en in 1891 werd gepatenteerd. De akoestisch ingenieur Charles Houvenaghel, in dienst van Leblanc, werkte aan verfijning van het ontwerp in 1910.

 

Het eerst bekende clarinet choir werd opgericht door de Belgische klarinettist en saxofonist Gustave Poncelet (1844-1903) aan het “Brussels Conservatoire”, waar hij op beide instrumenten les gaf vanaf 1871. Zijn ensemble bestond uit zevenentwintig spelers en maakte vele succesvolle concertreizen. Richard Strauss hoorde het orkest in 1896 en was erg onder de indruk. In zijn revisie van Berlioz’s instrumentenleer verwijst hij naar hun arrangement van Mozart’s veertigste symfonie voor 22 klarinetten.

 

Onder de meest getalenteerde leerlingen van Poncelet waren Gustave Langenus (1883-1957) en Joseph Schreurs (1863-1941?). Beiden vertrokken naar de Verenigde Staten, naar New York en Chicago. Een van Joseph Schreurs’ leerlingen, Clarence Warmelin, eerste klarinettist van het Minneapolis Symphony Orchestra, interesseerde zich voor klarinet ensembles. Hij verhuisde naar Chicago en leidde daar een ensemble tussen 1933 en ongeveer 1938. De samenstelling van de groep varieerde. Men repeteerde iedere zondagochtend twee uren. Het beroemde klarinet kwartet dat Warmelin’s naam draagt kwam voort uit dit ensemble en verkreeg nationale erkenning door haar concerten, radio-uitzendingen en opnames.

 

Percy Grainger (1882-1961) vestigde zich in New York in 1914 en hij liet zich in 1918 naturaliseren. Ondanks zijn vele drukke activiteiten was hij als docent, dirigent en uitvoerende gedurende de zomer betrokken bij het Interlochen Music Camp, vlakbij Travers City, Michigan. Hij speelde sopraan- en baritonsaxofoon en was zijn leven lang zeer betrokken bij de rietinstrumenten. Door zijn contacten in Interlochen maakte hij tussen 1936 en 1946 verschillende arrangementen voor homogene blaasgroepen, meestal voor saxofoons of klarinet, van werken van J.S. Bach, des Pres, Jenkins, Lawes, le Jeune en Scarlatti. Veel van deze arrangementen zijn nu te vinden in het “Granger Archive” in Sydney, Australië. Het clarinet choir arrangement van 'The Immovable Do' of 'The Cyphering C', geschreven tussen 1933 en 1939, oorspronkelijk voor negen strijkers en orkest, werd gepubliceerd door Schirmer in 1941 samen met vier andere versies. The Three Ravens, gebaseerd op een oude Engelse melodie was al voor 1902 geschreven en gereviseerd in 1942/3 en uitgegeven door Schott, London in 1950. Het is geschreven voor baritone solo, koor en vijf klarinetten of fluit en vier klarinetten

 

Ondertussen was de in Rusland geboren Simeon Bellison ( 1883-1953) in 1921 geëmigreerd naar de Verenigde Staten, waar hij de baan van eerste klarinettist van het New York Philharmonic Orchestra kreeg. Hij behield deze baan tot 1948. In 1927 richtte hij een klarinet ensemble op in New York. Het begon als een studenten octet, maar groeide al snel tot een bezetting van 75 klarinettisten. Veel leden van dit ensemble werden later bekende spelers en docenten, zoals Sydney Forrest, Leon Russianoff, Kalman Bloch (Bellison's student op zijn dertiende jaar), en David Weber.

 

Weber werd geboren in Vilnius, Lithuania, en leidde het ensemble de laatste jaren totdat het in 1938 werd opgeheven. Bellison maakte vele groots opgezette arrangementen van het klassieke en symfonische repertoire voor het ensemble, die nu worden bewaard in de bibliotheek van de Rubin Academy of Music in Jeruzalem. Het programma’s van de concerten dat Bellison's ensemble gaf in het Stadshuis en Carnegie Hall worden bewaard in de openbare bibliotheek van New York.

 

Het begrip “clarinet choir” deed zijn intrede in de Verenigde Staten rond 1952. In de winter 1950-51 editie van het Clarinet Magazine wordt gesproken over het clarinet ensemble van James De Jesu in Long Island. In het blad 'Symphony' uit 1951 schreef Lucien Cailliet een artikel over 'The Clarinet Ensemble'. Het begrip 'clarinet choir' werd bedacht door Hal Palmer in 1952 en samen met Russell Howland van het Fresno State College startte hij een clarinet choir tijdens het High Plains Music Camp in Hays, Kansas. Howland maakte verschillende arrangementen, die o.a. werden gepubliceerd door Interlochen Press.

 

In de oktober uitgave uit 1952 van 'The Instrumentalist' schreef DeJesu een artikel waarin hij de nieuwe term gebruikte: “Improving Clarinet Sections via Choirs”. Het idee werkte als een inktvlek door de Verenigde Staten, ondersteund door bezoeken aan scholen en universiteiten door Leblanc's onderwijs-directeur Don McCathern en componist en arrangeur Alfred Reed. Reed's Caribbean Suite uit 1955 was het eerste originele werk voor clarinet choir.

 

Vanaf de jaren vijftig ontstonden op zeer veel Amerikaanse Universiteiten en high schools grote clarinet choirs. Groepen werden opgericht door Harold Harvey (Montana), Arthur Christman (Juilliard), William Stubbins (Michigan), Thomas Ayres (lowa), George Waln (Oberlin, waar nu de collectie van Gustave Langenus wordt bewaard), Frank Stacow (Lebanon Valley College). Harvey Hermann, die in 1959 na een lange periode uit Japan terug kwam, richtte de Champaign en Urbana Clarinet Choirs op in mei 1965. Het ontstaan van deze choirs werd gestimuleerd door de op dat moment leidende klarinetmerken. Er ontstonden vele nieuwe composities en arrangementen voor clarinet choir. In de jaren zeventig lag de ontwikkeling rondom het Amerikaanse clarinet choir nagenoeg stil, door verschillende factoren: het aantal muziekleerlingen nam af, er waren bezuinigingen die leidden tot een minder goed onderhouden instrumentarium en de muziekstukken waren 'out-of-print'.

 

 

In de jaren tachtig en negentig werden in Europe, met name in Nederland en België, verschillende klarinetorkesten opgericht en ook Amerika kent inmiddels weer talloze choirs. Het repetoire is uitgebreider dan ooit tevoren en vele groepen (zoals het British Clarinet Ensemble en het Vlaamse Claribel) geven componisten regelmatig opdrachten voor het schrijven van nieuwe werken.